Het koninkrijk Friesland was een politieke constellatie die vermoedelijk vanaf het einde van de 6e of het midden van de 7e eeuw bestond. Het grondgebied besloeg rond 700 voornamelijk de Hollandse kuststreek (Frisia ulterior) en het rivierengebied rond Utrecht en Dorestad (Frisia citerior).[1] De Friese zelfstandigheid eindigde definitief met de slag aan de Boorne in 734.
Magna Frisia — mythe of werkelijkheid?
Het koninkrijk Friesland wordt soms ten onrechte gelijkgesteld aan het woongebied van de Friezen, dat zich uitstrekte van het Zwin bij Brugge tot voorbij de Wezermonding. Dit gebied wordt wel Magna Frisia of Groot-Friesland genoemd. In middeleeuwse geschriften wordt de hele regio aangeduid met de Latijnse termen Frisia of tota Frisia.
Recente auteurs stellen vrijwel unaniem dat er geen sprake was van een aaneengesloten bestuursgebied. Pieter Boeles (1927/1951) en archeoloog Herre Halbertsma (1982) meenden nog dat het Friese koninkrijk grotendeels samenviel met het vestigingsgebied der Friezen. Wim van Es (1990) corrigeerde dit beeld als eerste, door te stellen dat Radbouds machtsbasis in het Hollands-Utrechtse rivierengebied heeft gelegen.
Ontstaan en context
Een centraal bestuurd koninkrijk ontstond pas toen de Friese gebieden na de ineenstorting van het Romeinse Rijk een centrale ligging kregen tussen de opkomende Germaanse koninkrijken van Franken, Angelsaksen en Scandinaviërs. Deze positie werd vanaf circa 550 versterkt door het verbreken van de Noord-Zuidroute, veroorzaakt door de inval van Slavische volkeren in Oost-Europa.
Vanwege hun waterrijke land hadden de Friezen al uitstekende ervaring met scheepvaart. Handel en vruchtbare grond maakten het gebied echter ook aantrekkelijk voor het Frankische Rijk, waardoor aan alle voorwaarden werd voldaan om tot de consolidatie van een weerbare territoriale eenheid te komen.
Het koningschap
Evenals bij andere Germaanse volken de norm was, hadden de Friezen aanvankelijk stamhoofden als leiders, gekozen op grond van kwaliteiten. In tijden van oorlog werd een gekozen krijgsheer — ook wel hertog — aangewezen. Het koningschap ontwikkelde zich pas laat: pas op het einde van de 6e eeuw was in het Fries-Gronings terpengebied sprake van een centraal gezag met een klasse van edelen.
De macht van de Friese koning werd bepaald door het aantal mensen dat hij door het geven van geschenken aan zich kon binden. Grenzen waren daardoor flexibel en weerspiegelden zijn netwerk van persoonlijke relaties. Frankische bronnen kenschetsen de Friese leiders als hertogen ondergeschikt aan de Frankische koning; Angelsaksische bronnen spreken doorgaans van koningen.
Uitbreiding en conflict met de Franken
De koningen
Finn — de mythische koning
De Friese koning Finn is een mythische 5e-eeuwse figuur, vermeld in het Angelsaksische heldenepos Beowulf en het Finnsburgfragment. In dit laatste geschrift wordt de slag bij Finnburg beschreven waarbij Friezen en Denen van Hnaef elkaar vijf dagen bevochten. Finn wordt in het gedicht Widsith de zwager van de Deense koning Hnaef Hocingum genoemd.
Audulf — de muntenkoopman
Audulf is uitsluitend bekend door munten waarop zijn naam staat, gedateerd tussen circa 600 en 630. Zijn machtsbasis lag vermoedelijk in Westergo. De inscriptie Victoria op de gevonden munten zou erop kunnen duiden dat de Friezen onder zijn heerschappij succesvol streden tegen de Franken.
Aldgisl — de gastheer van Wilfrid
Aldgisl regeerde over het centraal rivierengebied in de huidige provincies Holland en Utrecht, waarschijnlijk vanuit Dorestad of Utrecht.[7][8][9] Hij hield de Franken op afstand en ontving in de winter van 678 de Engelse bisschop Wilfrid van York in Utrecht, die hij een goed onderkomen bood. Rond 680 overleed Aldgisl en werd hij opgevolgd door Radbod.
Radbod — de grootste Friese koning
Radbod geldt als de bekendste en machtigste Friese koning. Zijn machtsbasis lag naar huidige inzichten vermoedelijk in het Hollands-Utrechtse rivierengebied, hoewel historicus Menno Dijkstra (2010) betoogt dat zijn rijk een groot deel van Frisia magna besloeg. Na een militaire opleving versloeg Radbod Karel Martel in 716 — een van de weinige Frankische nederlagen in die periode.[10]
Poppo — de laatste aanvoerder
Poppo of Bubo was de laatste Friese legeraanvoerder wiens naam we kennen, mogelijk de opvolger van Radbod als heerser ten oosten van het Vlie. Omstreeks 733 kreeg hij te maken met een Frankische inval. Het Friese leger werd teruggedrongen naar Oostergo en in 734 sneuvelde Poppo tijdens de Slag aan de Boorne.
Einde van het rijk
Na de slag aan de Boorne kwamen de gebieden ten westen van de Lauwers in Frankische handen. Een naamloze opvolger van Poppo was in 748 verplicht bijstand te verlenen aan Pepijn de Korte tijdens diens oorlog tegen de Saksen. Karel de Grote maakte in 772 definitief een einde aan het laatste Friese staatje.
Na het Verdrag van Verdun (843) werd het westen en zuiden van Frisia opgenomen in Lotharius' Midden-Francië.[11] De regio raakte al spoedig in de Vlaamse machtssfeer en werd betwist grensgebied tussen het Duitse en het Franse Rijk.
Erfenis
Er zijn sterke aanwijzingen dat de nakomelingen van graaf Gerulf (ca. 850–914) van de Friese koningen afstammen. De latere Hollandse graven ontleenden aan deze afkomst een deel van hun prestige.[12] Ook leden van het Huis Egmond leidden hun stamboom terug op Radbod.
In de late middeleeuwen leidde de herinnering aan het Friese koninkrijk tot dynastieke aanspraken op de koningstitel, onder meer door de Bourgondische hertogen Filips de Goede en Karel de Stoute, die hiermee hun onafhankelijkheid tegenover de Franse koning en de Duitse keizer wilden benadrukken.
Discussie over de omvang
De werkelijke omvang van het Friese koninkrijk is niet met zekerheid vast te stellen. Schriftelijke bewijzen voor een permanent centraal gezag ontbreken, waardoor de meningen verdeeld zijn.
Archeoloog Johan Nicolay gaat ervan uit dat langs de Noordzeekust een handvol kleine koninkrijkjes bestond, die in tijden van oorlog grotere eenheden vormden onder een primus inter pares. Hij wijst op de provincie Friesland als meest centrale regio, gezien de rijkdom aan goud- en zilvervondsten. Anderen benadrukken juist het belang van het rivierengebied rond 700, of het Hollandse kustgebied.
Menno Dijkstra acht het goed mogelijk dat er onder Radbod een grotere eenheid werd gevormd die "een groot deel van Frisia magna, zo niet alles ervan" besloeg. De meeste vakgenoten zijn echter sceptisch over deze veronderstelde samenhang.
Bronnen & literatuur
- Dijkstra, M. (2010). Rondom de mondingen van Rijn & Maas. Leiden.
- Van der Tuuk, L. (2019). Friesland in de vroege middeleeuwen. Verloren.
- Zijlmans, R. — bijdrage over zuidgrenzen van Frisia.
- Mol, H. & De Langen, G. — over de Sincfal als zuidgrens.
- Chambers, R.W. (1912). Widsith: a study in Old English heroic legend.
- Boeles, P.C.J.A. (1951). Friesland tot de elfde eeuw.
- Halbertsma, H. (1982). Frieslands Oudheid. Groningen.
- Van Es, W.A. (1990). BROB 40.
- Lebecq, S. (1983). Marchands et navigateurs frisons. Lille.
- Bonifatius, Brieven (MGH Epp. III).
- Nelson, J.L. (1992). Charles the Bald. Longman.
- Henderikx, P. (1987). HMGN 41.